Hebben we het goed gedaan op Sumba?

Hebben we het goed gedaan op Sumba, wat betreft het kerkelijk opgezette theologisch onderwijs?

Toespraak bij mijn afscheid op 17 december 2016.

Onlangs vroeg iemand uit de kring van zendingsdeputaten mij om op een kaart van Sumba in te tekenen waar zich gemeenten van de GGRI bevinden, zo mogelijk met ledentallen. Was de vraag 8 jaar geleden gekomen, dan had ik er beter aan kunnen voldoen. Want toen bezat ik van GGRI-deputaten het rapport aan hun synode met statistiek. Dit jaar kreeg ik geen gegevens. Want buitenlandse steun is drastisch verminderd, en daaronder viel ook hulp bij de voorbereiding van de synoden en het schrijven van rapporten. En: De houding tegenover de zusterkerken is nogal verkoeld, zeker tegenover de GKV.
Joh. Veldhuizen bezocht namens deputaten buitenlandse kerken dit jaar Sumba. Hij was er in de jaren tachtig ook geweest. En hij schreef over de plaats Wai Marangu, dat als resettlement-project begonnen is: De steppe zal bloeien. Dat zie je als je foto's van de omgeving van de evangelisten -school vroeger en nu vergelijkt.
Wat merk je op als je naar de mensen op de foto's kijkt? Van al degenen met wie ik in de tachtiger jaren samenwerkte is niemand meer in leven. Kijken we naar de studenten van toen dan zie je dat ze oud geworden zijn. De oudste en jongste van toen zijn vrienden van elkaar, maar leven wel in heel verschillende context: de een in armoede op het platteland, de ander in goede doen in de grote stad.


Ik ben begonnen les te geven aan de evangelistenschool op Sumba in 1981 en mijn laatste reis was in oktober van dit jaar. De school is nu gevestigd in de hoofdstad, in het 2e tijdelijke onderkomen. Vanaf juni hadden de Nederlandse zusterkerken de steun aan de theologische opleiding stopgezet, maar de school draait nog, met hulp van de Australische zusterkerken. Het is niet meer een evangelistenopleiding maar een theologische hogeschool, een STT. Het einde van de hulp was het gevolg van een verandering in denken bij DVN/OZD. Tegelijk was het een gevolg van mismanagement aan de Sumbanese kant. Op die laatste grond kan gezegd worden dat de beëindiging terecht was: ze hadden het er zelf naar gemaakt.


Bezie je heel de periode, dan kun je de steun vanuit Nederland in twee tijdvakken laten uiteenvallen: de eerste 20 jaar verliep de steun via deputaten Betrekkingen Buitenlandse Kerken, en ook uitgezondenen stonden in dienst van dat deputaatschap. De laatste 15 jaar gaat het via De Verre Naasten, en ik sta vanaf 2004 dan ook in dienst van DVN.
Dat de organisatie van zowel hulpverlening als theologische ondersteuning in handen van DVN kwam te liggen is gekomen op voorstel van BBK. Te beginnen bij hun rapport aan de synode van Leusden 1999. Daar waren twee redenen voor. Het was onbevredigend dat hulpvragen van zusterkerken niet afdoende behandeld konden worden. Vaak moest je doorverwijzen naar een ander loket, want het was voor de partners onduidelijk hoe de GKV in elkaar zaten. Er was echt behoefte aan centralisatie. De tweede reden was dat deputaten BBK niet de ambitie hadden noch de professionaliteit om programma's te ondersteunen en uitzendingen te doen. Het waren allemaal vrijwilligers.
Toch is het daarbij niet de bedoeling geweest dat ondersteuning van zusterkerken uit het blikveld zou verdwijnen en vooral gedacht zou worden in hulpverleningprogramma's.
Er wordt wel gesteld dat bij de recente reorganisatie tot Mission het zendingswerk is teruggegeven aan de plaatselijke kerken, en kerkelijker geworden is. Dat is nog de vraag.
Toen de synode van 2014 besloot tot een nieuwe structuur was het tot het laatst onzeker geweest of de uiteindelijke verantwoordelijkheid bij een generaal deputaatschap zou komen dat aan de synode zou moeten rapporteren, of los van het kerkverband bij een landelijk samenwerkingsverband voor de zending. De voorzitter van het generale deputaatschap gebruikte toen de uitdrukking dat DVN terug zou zakken in de kerken. Maar nu is er eigenlijk een zendingskerkverband gecreëerd naast het gewone kerkverband, en daarbinnen vervult DVN een sterke rol. De regionale verbanden rapporteren wel aan het kerkverband, namelijk aan de regionale synodes, maar het landelijk verband doet dat niet. Vandaar het gevaar dat er een zendingsorganisatie ontstaat die op het hoogste niveau los van de kerken opereert. Terwijl de constructie van een zendingsverband naast het kerkverband wel eerder in de GKV vertoond was, maar ook bestreden.


Zoals op zoveel terreinen van organisatie is er ook bij dat van de zending binnen onze kerken een golfbeweging geweest waarbij in dit geval het ene uiterste centralisatie is en het andere uiterste de zending vanuit de plaatselijke kerk.
Ik had gedacht dat de jongste reorganisatie uit zou komen bij wat door de zogenaamde zendingssynode van de Verenigde Gereformeerde Kerken in 1896 was besloten: een combinatie van decentralisatie en centralisatie. Decentralisatie, omdat de kern van de kerk, volgens gereformeerde opvatting, in de plaatselijke kerk ligt. Centralisatie via provinciale en generale deputaten, omdat je kennis en vaardigheden moet bundelen. Niet zending volgens een vereniging, zoals voor 1896 vaak gebeurde, maar door een goed georganiseerde kerk. Als het echter te goed georganiseerd wordt bestaat het gevaar dat de kerken er alleen op papier zijn en de actie bij een centraal orgaan ligt: het kan een verenigingsbestuur zijn of een deputaatschap.
De vrijgemaakten wilden op hun synode in 1951 af van wat zij deputatenzending noemden en schaften daarom de Zendingsorde die dat regelde af. Toen bleef er voor plaatselijke kerken, al dan niet verenigd in een regio, niets anders over dan zelf de organisatie op te zetten. Daar kwam bij dat er wel drie organisaties waren voor medische-school en landbouw-hulp. Dat alles werd verbeterd toen er in het laatste kwart van de vorige eeuw meer coördinatie plaatsvond, ook in de hulp: in 1978 werd De Verre Naasten opgericht.
Is echter nu niet door de integratie die vanaf 1999 is ingezet het gevaar ontstaan dat het centrale bureau overheerst? DVN is nu van de kerken, en volgens organogrammen is dat zo. Maar waar zijn de kerken zelf? Even onverwacht als in 1951 de zendingsorde werd afgeschaft ging de synode van 2014 ermee akkoord helemaal geen kerkelijke bemoeienis op landelijk niveau met de zending te hebben. Dit kan gemakkelijk ertoe leiden dat kerkelijk opgezette theologische opleidingen van zusterkerken ondergewaardeerd worden. De integratie van Woord en Daad is waardevol, maar beiden moeten dan wel het volle pond blijven ontvangen.
Waar is het vandaan gekomen dat de Sumbanese kerken zo ijveren voor een eigen theologische opleiding? Door de invloed van zendelingen, aansluitend bij wat vanaf de Afscheiding de Gereformeerde Kerken typeert: van de kerk, voor de kerk, en door de kerk. Dat denken begon al in de 19e eeuw toen de Afgescheidenen het niet verantwoord achtten dat hun voorgangers aan een Rijksuniversiteit zouden worden opgeleid. Vaak wordt geciteerd 2 Tim. 2:2. Paulus aan Timoteus : Wat je in aanwezigheid van velen van mij hebt gehoord, geef dat door aan betrouwbare mensen die geschikt zijn om anderen te onderwijzen.
De Afgescheiden kerken dachten zelfs al aan promotierecht voor hun school, nog voordat de V.U. was opgericht, de concurrent die er later in de Verenigde kerken bij zou komen. Zie hiervoor en ook voor genoemde bijbeltekst brochures als G. Doekes, "Het kerkelijk doctorenambt" uit 1917 en T. Hoekstra, "Het doctoraat aan de Theologische School" uit 1930. Bovendien: A.M. Lindeboom "Ambt en opleiding" uit 1940.
Zo leerden de Vrijgemaakte kerken, uit Afscheiding en Doleantie voortgekomen, aan hun zendingscontacten om een eigen opleiding na te streven. Dus ook de kleine kerk op Sumba, het oudste contact, die al vanaf 1957 een evangelistenschool kende die na een rustperiode in 1981 weer open ging. Vele jaren daarna gesteund vanuit de Nederlandse zusterkerk, maar het advies is nu om studenten naar goed bekend staande opleidingen elders in Indonesië te laten gaan. Dat is een forse breuk met het verleden.
De plaatselijke gemeenten van het Sumbanese kerkverband staan nog achter de oude opvatting en houden de eigen opleiding gaande, met raad en daad gesteund door de Australische zusterkerken.


Vanavond bepleit ik niet alleen het goede recht maar ook het voordeel van een kerkelijk ingebedde theologische opleiding. Waarbij kerkelijk ingebed trouwens niet betekent dat een kerkelijke synode het rechtstreeks voor het zeggen moeten hebben. Je kunt bestuurlijke capaciteiten bundelen in een stichting of vereniging, mits die uiteindelijk wel verantwoording aflegt aan het kerkverband.
Kerkelijk is samen te vatten met die bekende drieslag: van de kerk, door de kerk en voor de kerk, maar dat kan op veel manieren. Van de kerk kan betekenen: met steun van zusterkerk, met raad en daad. Door de kerk:dat er docenten van buiten de eigen kring zijn voor de hulpvakken. Voor de kerk: de output mag ook naar andere kerkverbanden gaan, mits het eigen kerkverband de eerste doelgroep blijft.
Als pluspunten voor een kerkelijke opleiding zie ik:
1. De band met de kerken, de invloed van de kerken, het toezicht door de kerken.
2. De vanzelfsprekendheid dat studenten zullen terugkeren naar de kerken.
3. Ieder gemotiveerd kerklid, geslaagd aan een middelbare school, kan zich aanmelden.
Als de nadelen:
1. Afhankelijkheid van de vermogende zusterkerk. Dit kan alleen die zusterkerk zelf vermijden door zich dienend en nederig op te stellen.
2. De financiële last is voor de zusterkerk niet goed in te schatten: een blijvende hulprelatie kan veel kosten met zich mee brengen, maar daar ben je zusterkerk voor.
Als nadelen van studie elders is, met steun van een studiebeurs is, zie ik:
1. Studenten uit de GGRI worden niet zo gemakkelijk aan goede scholen toegelaten vanwege hun eenvoudige vooropleiding en achtergrond
2. De goede studenten van de GGRI zullen, als ze een diploma hebben, het moeilijk vinden naar de eigen, eenvoudige kerken, terug te keren.
3. Voor aanmelding zul je bij een selectiecommissie van de kerken moeten zijn, met alle risico's van aanzien des persoon.
4. De kerken voelen zich minder verantwoordelijk voor opleiding van hun voorgangers
5. De eenheid van de kerken komt onder de druk te staan, vanwege de verschillende achtergrond in opleiding van de voorgangers, en soms verschil in leer.
Als voordelen voor studie elders:
1. Blikverbreding bij studenten.
2. Kwaliteit opleiding. Je hoeft niet je in te spannen voor kwaliteitsbewaking van de opleiding; je let alleen er op dat je student klaar komt en kijkt naar zijn kwaliteit. Als het tegenvalt kies je voor de volgende student een andere school.
3. Je kunt het aantal projecten/beurzen van te voren vaststellen en zo het is financieel beheersbaar.
Het een bij het ander genomen kies ik voor een eigen kerkelijke opleiding, en voor de goede studenten met een aanvullende studie elders.


Nu is de opleiding op Sumba, naar het oordeel van DVN/OZD echter vast gelopen. Was dit nodig geweest? Ik noemde al dat er naast verandering in visie bij DVN sprake was van mismanagement bij de school. Had dat voorkomen kunnen worden?
Mijn ervaringen zeggen ja, en die zijn uit een bredere periode en uit een breder gebied, dan de laatste tien jaar aan de STT op Sumba. Tijdens mijn eerste uitzending via BBK, in de jaren tachtig, had ik als uitgezondene een plaats om mee te denken in het bestuur. Later koos DVN ervoor om alle verantwoordelijkheid bij de Indonesische kerken te laten en de taak van de uitgezondene te beperken tot uitvoerend. Voordeel is dat je spanningen vermijdt, het nadeel dat je kansen voor beter management laat liggen. Bovendien ken ik scholen waar er een sponsor is die zich wel degelijk met het beheer bemoeit, terwijl de school toch zelfstandig is. Zulke bemoeienis is pas dan niet meer nodig als de kerken zelf min of meer vermogend zijn. Zo zijn er goede gereformeerde theologische scholen te vinden in de zgn Reformed hoek, met op de achtergrond rijke chinese christenen. Aan het management op zulke scholen hoeft niet getwijfeld te worden.
Op Sumba zal, tenminste in onze kerken, sterk management voorlopig niet het geval zijn. Daar zijn de economische mogelijkheden te gering voor. Zusterkerken zullen dus moeten blijven helpen, met raad en daad. Charismatische kerken hebben een eigen opleiding in Waingapu, maar dat zijn over het algemeen rijke kerken. De grote Sumba-kerk van gereformeerde achergrond, de GKS, participeerde vroeger met de Timor-kerk in een universiteit in Kupang, maar heeft nu een eigen, kerkelijke opleiding in Lewa. Dit kerkverband is niet rijk, ook niet arm.
En het gevaar van neokolonialisme dan? Moet je niet het eigenaarschap van de kerken hoog houden? Dat moet je inderdaad. Maar als dan uiteindelijk in Nederland geconcludeerd wordt en gecommuniceerd: Wij achten een eigen hogere theologische opleiding voor de GGRI niet reëel, wij steunen alleen scholen van middelbaar niveau en geven desgewenst studiebeurzen voor elders, is daar de reactie: hier vullen zij in wat goed is voor ons. En dat is koloniaal.


Omvang van de school:
Hoe groot is dan de kerkelijke opleiding van onze kleine zusterkerk? Je zou kunnen zeggen dat vanaf het begin in 1981 het aantal studenten geschommeld heeft rond de 20. Er is een pauze geweest van 2000-2006, toen de school zich opmaakte om in Kupang op een hoger niveau verder te gaan, samen met een zusterkerk daar. Dat mislukte en toen werd het toch weer Sumba, van 2006 tot nu. Nu zijn er 24 studenten, verdeeld over 5 leerjaren.
Het 4e jaar is een stagejaar is. Ook zijn er 3 afgestudeerden die bij een STT in Malang een aanvullend jaar doen, en een student die de part-time masterstudie aan de hogeschool SETIA in Jakarta volgt.
De kerken en de docenten hebben met bewonderenswaardige trouw de opleiding steeds behartigd, al hadden ze aan veel gebrek. Wat hun eigen opleidingsiveau betreft is het docentencorps goed uitgerust. 4 vaste docenten hebben een master-graad, verder zijn er hulpdocenten voor bijvakken en twee buitenlandse vliegende docenten voor bijbeltalen.
Het is volgens onderwijsnormen onder de maat om slechts 24 studenten op de campus te hebben, maar het kerkverband is niet groter. Wil je als zusterkerk elkaar helpen dan moet je de situatie accepteren zoals deze is.
Was personele hulp gedurende al die jaren niet te zwaar voor zo'n kleine school? Er was 1 uitgezondene en er waren eerst 2, later meer Indonesische docenten. Vanaf 1981 tot nu toe zijn praktisch alle voorgangers in de GGRI eigen kweek, en ook zijn nog een aantal opgeleid voor een zusterkerk in Timor .De uitgezonden docenten, na mij ook Andrew Pol en Thijs Oosterhuis, participeerden ook verder in het kerkelijk leven. Tijdens mijn eerste periode was er zelfs een tweede uitgezondene voor de gemeenteopbouw, ds Jaap Klamer.
Waar zijn de leerlingen gebleven? Laten we alleen kijken naar de studenten die de opleiding hebben afgemaakt. De anderen kregen trouwens later ook vaak een taak als lekepreker of evangelist. Van de eerste studenten van 1981 e.v.j. zijn nog 3 actief, 5 zijn overleden, 6 zijn geëmeriteerd, 4 zijn overgegaan naar een andere staat des levens, van volksvertegenwoordiger tot boer. De meeste huidige voorgangers uit het kerkverband zijn uit de periode 1988-2000. 12 personen. Van hen hebben 4 een aanvullende studie elders gehad. Van degenen die sinds de heropening in 2006 de school hebben doorlopen zijn nu 10 actief.
De output was praktisch 100 % voor de GGRI zelf. Of ze elders dan wel kansen zouden hebben gehad als ze hadden gewild? Vast wel. De Sumbanese studenten die in Malang en Jakarta een vervolgstudie deden behoorden daar tot gewaardeerde en goede leerlingen. Daarentegen zie ik bij een interkerkelijke school als SETIA dat het heel moeilijk is de afgestudeerde studenten vast te houden. Terwijl de SETIA-kerken juist gesticht zijn om een plaats te geven aan de alumni.


Leerpunten:
Hebben we het goed gedaan op Sumba, in de hulp aan de theologische opleiding? Nee.
Wat wil ik met deze evaluatie bereiken? Ik houd het bij 3 leerpunten:
1. De zusterkerkrelatie hoog houden, in de lijn van BBK.
2. Professionaliteit tonen, ook in het meedenken bij het bestuur van de school van de zusterkerk, en indien nodig bereid zijn ook zelf met de voeten in de modder te staan. Het werkt niet, als we uit vrees voor een kerkelijk conflict of een beschuldiging van neo-kolonialisme, een te veilige afstand bewaren.
3. Nu de hulp voor de opleiding is afgebouwd, maar we als GKV wel betrokken willen blijven, zou gekeken kunnen worden naar Australië. De hulp van de FRCA wordt door de GGRI op prijs gesteld. Blijkt deze hulp goed te functioneren, dan kan overwogen worden om bij te dragen aan de opleiding via de FRCA. Dit zou ook de transparantie ten goede komen. Dus: een negatief antwoord, en toch perspectief.