Terugblik na bijna 50 jaar

Terugblik na bijna 50 jaar.
Bij een reunie van jaargenoten, 15 januari 2018
In 1969 kwamen wij aan. We schrijven nu bijna 2019. We zijn allemaal emeriti. En: we zijn er allemaal nog.
Wat heeft 5 jaar studie aan de predikantsopleiding in Kampen met mij gedaan, en de doctoraal- en promotiestudie daarna, aan dezelfde universiteit? Gaf het mij een goede uitrusting voor de ruim 41 jaren actieve dienst als gemeentepredikant en als zendeling-docent?


Dan is er een tweede blokje vragen: welke veranderingen heb ik, naar mijn eigen inschatting tenminste, meegemaakt en hoe kijk ik aan tegen de veranderingen die er ontegenzeggelijk in onze kerken zijn geweest en die in de laatste paar jaren zelfs extra snel gegaan zijn?
Ik kan vrij snel reageren op de uitnodiging van Kees Haak, omdat ik voor mijzelf wel eens eerder had opgeschreven wat ik met mijn studie in Kampen heb kunnen doen in de jaren dat ik dogmatiek gaf aan de opleiding van de zusterkerken op Sumba en tijdens de lesperiodes aan de hogeschool SETIA in Jakarta. Ik ging daarbij bewust ook op zoek naar het eigene van onze kerken in theologisch opzicht en heb me afgevraagd wat daarvan relevant was voor anderen en wat niet. Ik kwam toen bij de persoon en het werk van K. Schilder uit, ook al was hij al 17 jaar gestorven toen onze studie in Kampen begon. Vandaar dat ik straks in 4 stukjes thema's uit zijn werk bespreek. Maar eerst breng ik hem in verband met een stuk kerkgeschiedenis dat misschien, en hopelijk, in de eerstkomende jaren afgesloten gaat worden: de breuk tussen (gemakshalve aangeduid) GKV en NGK.


In de jaren zestig en zeventig was de invloed van K. Schilder nog groot, vooral via de publicaties van J. Kamphuis en C. Trimp. Op de colleges dogmatiek van L. Doekes kwam Schilder echter niet thematisch aan de orde, alleen in het eerste begin, in de propadeuse, bij de colleges Inleiding in de christelijke religie. De jaren tachtig brachten we in Indonesië door en daarna vonden we bij onze terugkeer de kerken veranderd. Wat beschouwd kon worden als de erfenis van Schilder werd niet meer vanzelfsprekend aanvaard en nu we in 2017 75 jaar na zijn sterfdag staan is dat nog veel minder het geval.


De breuk in 1966 om de Vrijmaking van 1944
We zijn in Kampen bepaald niet als Schilderianen opgeleid. Waarom ik toch over hem begin is omdat ik zo kan omschrijven wat ik als verklaring zie van de breuk van de jaren zestig. Na de Vrijmaking van 1944 waren tal van acties gevoerd om weer 'on speaking terms' met de Gereformeerde Kerken synodaal te komen. Ik denk aan de Oosterbeek-conferentie, en aan de actie van de predikanten B.A. Bos en F.L. Bos, en het liep uit op de kritiek die B.J.F. Schoep leverde op het zgn Vrijmakingsgeloof, verwoord in de Open Brief in 1966. Tijdens zijn leven had Schilder de genoemde acties bestreden, hij vond ze onethisch, omdat er tucht had plaatsgevonden waar men te gemakkelijk over heen leek te lopen. Na zijn sterven in 1952 namen op den duur dus vooral J. Kamphuis en C. Trimp de pen van hem over. En zo kon het gebeuren dat zij de Open Brief fel gingen bestrijden. Dit was een document dat qua inhoud deze bestrijding niet had hoeven te krijgen. Immers, iedereen die een dynamisch kerkbegrip heeft, kan leven met de opmerking dat je niet mag denken dat Gods kerkvergaderend werk alleen via de Vrijgemaakte kerken loopt en dat je moet leren denken op het niveau van de wereldkerk. Bekende zinnen uit de Open Brief. En zo'n dynamisch kerkbegrip vind je bij Schilder zelf en ook bij Kamphuis en Trimp. Maar het venijn zat hem in de context van de Open Brief.
Er werd afbreuk gedaan aan de loyaliteit tegenover de Vrijmaking . In een andere publicatie had Schoep stelling ingenomen voor de Wereldraad van Kerken en brede oecumene. De vrees leefde dat de Open Brief ook in dat kader stond. Immers het schrijven was bedoeld om de Tehuis- gemeente in Groningen te ondersteunen. Deze was los geraakt van de GKV omdat deze niet toestonden dat zij met de synodale kerken samensprak.
Wij, als studenten die aankwamen vlak na de breuk, en die ook niet allemaal thuis een geschiedenis van een kerkelijke breuk hadden beleefd, lieten ons beïnvloeden door onze leermeesters en vreesden net als zij dat de buitenverbanders de synodalen achterna zouden gaan. Wij voelden niet de pijn en verscheurdheid die de studenten van de jaren boven ons voelden. We merkten wel op dat onze leermeesters ons niet voorgingen in een sfeer van vijandschap. 'Opbouw' lag op de leestafel, de pedel, meneer J. Bos, was scriba van de Ned. Geref. Kerk, A.J. Roukema en B. Meijer runden de bibliotheek.
Wij verlieten Kampen dan ook niet als mensen die geleerd was elk contact met de NGK te mijden. In mijn eerste gemeente Heerenveen had ik incidenteel contact met ds W.J. van der Linde. Heerenveen was de enige buitenverband kerk in Friesland. De vorige predikant, J. D. Houtman, was geschorst door de classis Drachten, omdat hij geen uitspraak over de Open Brief wilde doen. Dat was geen sterke grond. Mij lijkt, dat er toch wel verschil is tussen het schrijven van een tendentieus geschrift, zoals Schoep deed, en geen uitspraak willen doen over zo'n document. Ik heb in de kerkenraad van Heerenveen wel eens voorgesteld om als kerk weer contact te zoeken. De raad ging niet mee, ik herinner me een opmerking van een ouderling die zei: "Dat betekent dan avond aan avond praten met mensen als Kees Huizenga. Ik gun ze de pret". In de gemeente die ik na de Indonesië- jaren heb gediend, Apeldoorn, was het al niet anders. Ds Kamerbeek was zelf geen ondertekenaar van de Open Brief maar ging soms in een buitenverband gemeente voor. In mijn jaren in Apeldoorn gingen we na jaren van samenspreking met CGK ook met de NGK praten, voornamelijk omdat de CGK dat wilde, en we nooit verder zouden kunnen komen met de CGK zonder de NGK.
Bij de synode van 2002-2003 in Zuidhorn moest ik invallen voor ds Peter Groenenberg die erg ziek was geworden. De synode had toen al afwijzend gereageerd op een verzoek van prof Douma om schuld te belijden inzake handelingen in Noord-Holland in de jaren van de breuk. Zijn verzoek was niet langs de kerkelijke weg ter tafel gekomen, en werd daarom afgewezen. Er kwam nog een staartje aan deze zaak, vanwege een ander verzoek. Dit wilde helder krijgen dat de verplichting om de Open Brief zo te interpreteren als de synode van 1967 had gedaan niet juist was geweest. In de commissie die dat behandelde kwam ik terecht en we eindigden met een rapport waarin alle leden gezamenlijk uitspraken dat schuldbelijdenis een stap te ver zou zijn, maar waarin de meerderheid ook wilde uitspreken dat er in het kerkelijk handelen na 1966 onrechtmatigheden hadden plaats gevonden: Alleen al het geen keus willen bepalen ten opzichte van de Open Brief kon grond zijn voor schorsing. In een extra zitting in 2003 in Amersfoort verwierp de synode dat voorstel van de meerderheid. Het standpunt dat we deelden met de minderheid, namelijk geen schuldbelijdenis, keert wel terug in de Acta maar de extra bijdrage van de meerderheid niet. Zo is in de Acta niets terug te vinden van de inspanning die gedaan is om tenminste een stap in de goede richting te zetten. Wij gebruikten in de bespreking als hoofdargument dat inmiddels duidelijk was gebleken dat de vrees van de jaren zestig dat de NGK de synodalen achterna zouden gaan, ongegrond was gebleken . Schuldbelijdenis ging volgens ons te ver. Dan moet je over alle plaatselijke situaties oordelen, en kom je op het terrein van hoor en wederhoor van heel veel betrokkenen.
Terugziend concludeer ik dat het voorstel ten onder is gegaan omdat het van twee verschillende zijden te licht werd bevonden. Er waren er die, olv van M. te Velde, een grondige studie wilden naar alle plaatselijke situaties om tot een afgewogen eindoordeel te komen. Daar was ons voorstel te eenvoudig voor. Er waren er ook die geen enkele stap wilden zetten, voornamelijk uit loyaliteit tegenover voormannen als Kamphuis en Trimp die toen nog leefden.


De 'outcome' van Kampen (er is onderscheid tussen output, productie, en outcome, resultaat)
Om terug te keren naar de vraag of Kampen ons voldoende had toegerust voor ons werk in de pastorie en het zendingsveld, wil ik zeggen dat ik zeker in de eerste jaren in de pastorie niet het gevoel had dat de opleiding onder de maat gebleven was. Dat gaat over de tweede helft van de zeventiger jaren, want toen was het kerkelijk leven nog rustig en de positie van de predikant algemeen gewaardeerd. Voor mij kwam daar bij dat de tweede helft van mijn doctoraal studie toegespitst werd op het zendingswerk. Inmiddels had ik toen een beroep van BBK aangenomen voor zendeling-docent op Sumba, en studiebegeleider J. Kamphuis stelde voor dat naast dogmen- geschiedenis (bij L. Doekes) ook missiologie (bij M.K. Drost) bijvak voor doctoraal-ecclesiologie mocht zijn. Terwijl hij als onderwerp voor de doctoraal-scriptie voorstelde: "Sadrachs kring, beschreven in zijn historisch verloop". Dat speelt op Midden-Java eind 19e en begin 20e eeuw. Bij de bestudering daarvan kreeg ik oog voor het gevaar van syncretisme op het zendingsveld, maar ook voor het gevaar van koloniale bevoogding. Drost liet stukken bestuderen van J.H. Bavink en H. Bergema als visitatoren op Sumba in de eerste kwestie Goossens en daardoor merkte ik dat, vergeleken met een koloniale zendeling als S.J.P. Goossens, veel anderen toen al meer doordrongen waren van de noodzaak om jonge kerken hun eigen tempo te laten aanhouden en hun eigen prioriteiten te laten stellen. Dat wat we nu 'ownership' zouden noemen. Zij die daar begrip en gevoel voor hadden, Bavinck en Bergema, waren later geziene figuren in de synodale kerken. Maar onze zendingslector Drost liet toch wel hun standpunt lezen.
Ik begon pas te voelen dat er een scheiding zat tussen wat ik in Kampen geleerd had en wat de kerken voelden en beleefden in de jaren negentig. Toen was inmiddels de invloed van de evangelische kerken in de GKV aanzienlijk geworden, en ook de rol van de menswetenschappen. Daar kwam nog weer later bij de aandacht voor de hoorder in de prediking, en de kijk op communicatie die wezenlijk verschilde van wat Trimp in zijn publicatie ''Communicatie en ambtelijke dienst' had geschreven (een rectorale oratie in 1976). Trouwens aan die verandering in blikrichting gaf hijzelf leiding door zijn boek "Klank en weerklank" uit 1989. Contacten met de CGK, en met name in de samenwerkings-gemeente Doesburg in de jaren 2010 en daarna versterkten bij mij die aandacht voor de hoorder.
In verband hiermee moet ik zeggen dat ik niet kan beamen dat in de laatste jaren vanuit Kampen een nieuwe hermeneutiek wordt voorgesteld. Het woord hermeneutiek wordt wel anders gebruikt dan in onze jaren. Toen liet prof. Van Bruggen scherp onderscheid maken tussen hermeneutiek als de leesregels voor de exegese, daarna de exegese zelf, en tenslotte de homiletiek waarbij de uitleg van de tekst wordt toegepast in de preek. Nu wordt in Kampen, net als daarbuiten, het woord hermeneutiek voor het hele proces gebruikt, van bijbellezen en uitleggen tot toepassen aan de hoorder van vandaag. Waarom ik toch zeg dat er niet van een nieuwe hermeneutiek sprake is? Omdat in gereformeerde exegese altijd aandacht aan de historische en literaire context van de Bijbeltekst is gegeven en niet biblicistisch is gewerkt.


Ik ga nu aandacht geven aan een aantal kenmerkende zaken in de theologie van K. Schilder en stel de vraag in hoeverre die van invloed zijn geweest op mijn werken en niet in de laatste plaats wat ik voor de zusterkerken in Indonesië mocht doen.
1. Gemene gratie en cultuurmandaat.
De grote zorg van Schilder was dat door aan Gods algemene zorg voor de wereld het woord 'genade' toe te kennen, de bijzondere genade van geloof en redding niet meer de volle aandacht zou krijgen. Toch was dit laatste nooit de bedoeling van Kuyper, die op dit punt zo door Schilder werd bekritiseerd. Het is niet onmogelijk dat Schilder geprikkeld was door wat hij als onwaarachtigheid bij Kuyper zag: heel radicaal de antithese prediken, en anderzijds open staan voor zeer veel goeds in de brede cultuurwereld. Door echter de zaak zo op scherp te zetten en het woord genade niet te willen verbinden aan cultuurwerk van niet-christenen, liep Schilder het risico te worden beschuldigd van modern doperdom. O. Noordmans zei zelfs voor de studenten van de VU dat hij nog nooit zo duidelijk de duivel op klompenvoeten de kerk had horen binnenkomen als in de theologie van Schilder. Het ontkennen van algemene genade, zoals Schilder deed, is een radicalisering die de theologie verzwakt. Het is niet in de lijn van de kerkvaders noch van Calvijn, en je brengt jezelf in een onnodige uitzonderingspositie in de internationale theologie. Douma heeft in zijn dissertatie terecht Schilder bekritiseerd. Ook later schreef Douma meermalen in de trant van 'de wereld valt mee', zonder aan de oproep tot bekering afbreuk te doen. In mijn lessen op Sumba en in Jakarta heb ik steeds gemerkt hoe belangrijk die 'algemene genade' voor mijn studenten is. De studenten in Jakarta komen uit alle hoeken van de archipel, geografisch, en ook kerkelijk gezien. Zij hebben een basis nodig waarop ze hun niet-christelijke naaste kunnen aanspreken. En als ze dan positieve activiteiten bij hen opmerken dan kunnen ze van daar uit naar de God van de Bijbel verwijzen, die hen dit heeft laten doen, zonder dat ze zelf beseften dat het van Hem kwam.
Daarentegen blijkt Schilders beklemtoning van het cultuurmandaat van Gen.1:26-28 geweldige stimulans te geven aan kerk en theologie in Indonesië. In dit stuk van zaken spreken Kuyper, die in Indonesië heel bekend is, en Schilder, op één toonhoogte. Immers, het cultuurmandaat hoort bij de gedachte dat de aarde een geschiedenis moet doorlopen, waarbij de mens een taak heeft, als rentmeester. En vanuit die overtuiging kom je los van de vicieuze cirkel waarin de traditionele religies in de archipel de mens plaatsen. Een vicieuze cirkel, met als achtergrond de idee van reïncarnatie.

2. De bestrijding van de pluriformiteit van de kerk en het accentueren van de kenmerken van de ware kerk
Opnieuw, net als bij gemene gratie, een punt waarbij de aanzetten die Schilder gaf gevaarlijker waren dan de winst die ze opleverden. En ook hier is te begrijpen dat Schilder zich geprikkeld voelde en bij Kuyper onwaarachtigheid waarnam. Zelf was hij een 'zoon van de Afscheiding', van de beweging die in 1834 constateerde dat het Ned. Hervormd Kerkbestuur niet meer voldeed aan de kenmerken van de kerk zoals art 27-29 NGB die omschrijven. Men scheidde zich daarom af, totdat de kerk zou terugkeren tot de handhaving van de belijdenis en de kerkorde die haar vanaf 1618 gevormd hadden. Kuyper e.a. verlieten daarentegen in 1886 de kerk op andere gronden, door te stellen dat zij alleen maar in protest gingen tegen het Kerkbestuur maar zelf de kerk bleven vormen. Gelukkig is zes jaar later bij de Vereniging van 1892 afgesproken dat men elkaars kerkopvatting voor hun eigen rekening zou laten. Toch kan het best zo geweest zijn dat het verschilpunt is blijven steken. En al helemaal omdat Kuyper ook de leer van de pluriformiteit van de kerk ontwikkelde en daarmee dus in de Hervormde Kerk, waar hijzelf uitgegaan was, maar ook in praktisch alle andere kerken, sterke punten aanwees.
In het eeuwjaar van de Afscheiding, 1934, verdedigde Schilder de kerkopvatting van de Afgescheidenen tegen de confessioneel hervormden, die overigens helemaal niet zo ver van hem vandaan stonden. Hij was het vooral oneens met hun stelling dat de kerk een zieke moeder is met wie je geduld moet hebben. Een valse kerk is niet een zieke moeder maar een hoer. Daarmee pleegde hij een riskante uitvergroting van een van de Schriftplaatsen die onder art. 28 NGB stonden, namelijk Openbaring 18. En je maakt er zeker geen vrienden mee.
De akte van Vrijmaking van 1944 is deels een kopie van de Akte van Afscheiding van 1834. Ook hier werd de kerk die men verliet beoordeeld aan de hand van de kenmerken van de ware kerk uit art. 29. Het denken over andere kerken werd in de GKV sterk bepaald door het schema waar/vals vanuit art 27-29 NGB. Schilder heeft niet goed kunnen overbrengen hoe in de praktijk het werken met het schema waar/vals gecombineerd kan worden met wat hijzelf ook ze sterk benadrukte, dat in art. 27-29 Christus' congregatio (kerkvergaderend werk) niet perse samenvalt met de menselijke coetus (samenkomst). Dat zou wel zou moeten zijn, maar is helaas niet steeds het geval.
Het is niet verwonderlijk dat het schema waar/vals het niet heeft uitgehouden en nu in de GKV losgelaten lijkt te zijn. Het verdraagt zich niet met de talloze schakeringen die er, zeker internationaal, in de kerk te vinden zijn. Dat deze 'erfenis van de Vrijmaking' verloren is gegaan behoeft niet betreurd te worden.

3. Het verbond. Belofte en eis
Hoe staat het met de nadruk die in de vrijgemaakte prediking jarenlang gegeven werd aan het verbond. Kun je hier spreken van een blijvende theologische erfenis?
Laat allereerst opgemerkt mogen worden dat het zeker niet zo is dat je volgens Schilder over het verbond maar op één manier kon denken en dat het hem een kerkscheuring waard was. Die scheuring is er juist gekomen omdat volgens de synode van 1942-1944 maar op één manier gedacht kon worden. Namelijk, dat sacramenten aanwezig geloof verzegelen en niet gekarakteriseerd moeten worden als een zegel op een belofte.
De latere vrijgemaakten konden leven met accentverschillen over verbond en doop, want die bestonden al een eeuw, en er was in 1905 zelfs een pacificatieformule aan gewijd. De contacten met de CGK zouden ook nooit geworden zijn wat ze zijn, als het vrijgemaakte standpunt muurvast gestaan had.
Wel is het zo dat het (s)preken vanuit het verbond velen erg lief was: Ver voor 1944 al sprak de prediking van Van den Born, Van 't Veer, Holwerda, S.G. de Graaf en Schilder velen aan en was als balsem voor de ziel. J. Kamphuis vond de kenmerkenprediking, zoals hij die in zijn jeugd in Loosdrecht hoorde, een zwaar juk dat beangstigde. Maar een vrijgemaakte specialiteit? Om meerdere redenen is het verstandig dat te ontkennen.
De 'theologie' van de synode van 1944 heeft niet stand gehouden, en is zelfs ingetrokken en er is ook spijt betuigd over de kerkelijke handelingen van de synode (wat jammer genoeg door de synode van de GKV niet positief beantwoord werd). Daarentegen is de aandacht voor het verbond wereldwijd. Maar hoe? In de vrijgemaakte accentuering kwam de nadruk vooral te liggen op het koppel belofte en eis. Immers, eenzijdige benadrukking van de belofte zou de weg openen voor geloofsverslapping en zou de waarschuwing laten verdwijnen. Teveel aandacht op de eis kan echter van de prediking opnieuw weer een juk maken, wat door velen in de GKV in het laatste kwart van de 20e eeuw ook zo ervaren is.
Accent op het verbond kan je zelfs het verwijt van remonstrantisme opleveren, wat al door de synode van 1942-1944 aan de bezwaarden werd voorgehouden, alsof je het heil zelf kunt bewerken en het je niet meer gegeven behoeft te worden.
Als er iets in de theologische strijd rond de Vrijmaking duidelijk is geworden dan wel dit dat je theologie niet vanuit een bepaald leerstuk mag bedrijven. Niet vanuit de eeuwige verkiezing, zoals Kuyper en de synode van 1942-1944 deed, en ook niet puur vanuit het verbond. De leerstukken zijn even belangrijk, en ze in een systeem brengen toont menselijke overmoed. Gods gedachten zijn hoger dan die van een mens. Door te bouwen op Gods beloften wordt de mens zeker van zijn eeuwige verkiezing. Het een kan niet zonder het ander in de geloofsbeleving.
In de steeds nauwere samenwerking met de CGK doet zich een uitgelezen kans voor om in prediking en theologie evenwichtig te zijn. Als er al kenmerkenprediking plaats vindt, of anders gezegd onderscheidenlijk gepreekt wordt, dan toch alleen op de basis die bv HC 31 bedoelt: heel de gemeente wordt aangesproken vanuit de belofte en opgeroepen tot bekering, en het mag niet gebeuren dat tot sommigen gezegd wordt dat het heil niet voor hen is omdat naar Gods beschikking zij er buiten staan. Dit zwaarmoedige piëtisme is buiten Nederland haast nergens te vinden. Het is ook niet buiten Nederland geëxporteerd door de zending. Wel is het meegenomen naar enkele emigrantenkerken. En het historische feit ligt er dat ook deze bevindelijke richting behoort tot de nakomelingen van de Afscheiding van 1834.

4.Historiciteit van schepping en zondeval
Er is een theologisch gesprekspunt dat meer dan de drie vorige tot de blijvende erfenis van Schilder en de Vrijmaking gerekend mag worden, en als zodanig ook van belang is voor de wereldkerk. Dat is het belang van de historiciteit van schepping en zondeval. Het heeft als issue niet gespeeld in 1944, maar wel veel eerder op de synode van 1926. De uitspraken van die synode zijn door de Gereformeerde Kerken synodaal later teruggedraaid, maar door de GKV niet. In 1926 sprak de synode uit dat het ontoelaatbaar is te leren dat de zondeval en in het bijzonder de slang en haar spreken misschien wel niet tot de historische werkelijkheden gerekend moeten worden. Hiermee sprak de synode zich overigens niet uit voor wat later wel het creationisme is genoemd, waartoe dan ook behoort de overtuiging dat de schepping in 6 dagen plaatsgevonden moet hebben van 24 uur, en dat de zondvloed universeel geweest moet zijn.
Ook Schilder maakte zich in 1926 sterk voor accentuering van de historische zondeval, en hij verdedigde Assen in zijn brochure "Een hoornstoot tegen Assen". Tien jaar later, in zijn polemiek met Noordmans, schreef hij wel te weten waar de oorzaak van het verschil in denken tussen hen zit: in het serieus nemen van de staat der rechtheid die er eens geweest is, en in de historische zondeval. Evenals voor Barth was ook voor Noordmans schepping en zondeval binnen de Bijbel niet meer dan het opzetten van de stukken van het schaakspel. Het gaat allemaal om Christus in de verlossing. Een denklijn die nu weer terug keert in de Christelijke Dogmatiek van C. v.d. Kooi en G. van den Brink.
Schilder had ook in "Wat is de hemel" laten zien dat God behalve om de verlossing ook geprezen moet worden voor de schepping, voor de groeimogelijkheden daarin, en de finale van de geschiedenis via een schokmoment bij de overgang naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.
Tegenover creationisme en fundamentalisme moet bedacht worden dat historisch serieus nemen van schepping en zondeval ook kan zonder dogma's over scheppingsdagen van 24 uur en wereldwijde zondvloed (hoewel er voor dat laatste ook best veel te zeggen valt). In dit kader is b.v belangrijk wat Schilder benadrukt heeft over God en de tijd, als tegenwicht tegenover de evolutietheorie. Immers bij het laatste is al het geestelijke en al het materiële aan elkaar verbonden en aan wetten van ontwikkeling onderworpen. Schilder benadrukte dat de eeuwigheid van God betekent dat God boven tijd en schepping staat.
Wij zijn in Kampen niet in creationistische zin opgeleid. J. Kamphuis maakte bezwaren tegen de publicaties van J. van Delden, en bepleitte dat de zondvloed niet perse als universeel gebeuren hoeft te worden gezien, maar als straf voor de ongelovige mensheid. Als zodanig zou een beperkte vloed in alleen Mesopotamië goed denkbaar zijn. Kuyper had ook al op die mogelijkheid gewezen, en Schilder was in de "Hoornstoot tegen Assen" met hem meegegaan.
Schilder schreef in deze brochure ter verdediging van Kuyper, dat deze echt wel vast hield aan de historiciteit van de schepping van man en vrouw, ook al was de rib van Adam waaruit Eva genomen is volgens hem misschien symbolische inkleding. Het gaat om de schepping als uit één bloed, door de splitsing van man en vrouw. Genoemde opvattingen van Kuyper werden door een anonieme schrijver gebruikt om aan te tonen dat de door de synode van Assen veroordeelde Geelkerken niet de eerste was die in twijfel trok of de zondeval historische waarneembare werkelijkheid was. Daartegen merkt Schilder op dat het niet om deze details gaat maar dat Geelkerken bedoelde dat het om een hogere werkelijkheid gaat terwijl het volgens Kuyper, G.S. Assen en Schilder terdege gaat om historische werkelijkheden in ons menselijk, tijd-ruimtelijk leven.
Zo prijst Schilder ook de breedheid van Geesink die het mogelijk acht dat de zon reeds voor de eerste dag geschapen is en al licht gaf, maar op de 4e dag gesteld is om scheiding te maken. In concreto schrijft Schilder: a. op de 4e dag is de zon pas tot de volkomenheid gebracht die voor leven nodig is. b. we moeten bedenken dat het licht tijd nodig heeft om de aarde te bereiken. c. de scheiding van de vs 16 (de vierde dag) moet anders zijn dan die van vs 4,5.
Over de dagen zegt hij dat ze niet van 24 uur hoeven te zijn. Met de opvatting oneigenlijk of niet-letterlijk moet je voorzichtig zijn. Het hangt af van het terrein waarover je spreekt. Ook de synode van Assen zei dat in het paradijsverhaal dingen staan die niet letterlijk zijn, nl antropomorf. Het gaat om historie of hogere werkelijkheid, los van onze tijd en ruimte.
En wat de Schrift betreft: Het verschil is of ze openbaring is, transcendent, van boven komt of opkomt uit het milieu en samenvalt met het milieu. Dat ze in dat milieu van het Oude Oosten tot stand gebracht is kan niet ontkend worden, maar dat ze er uit opgekomen zou zijn betekent evolutionisme, zegt Schilder.
In Heid Cat III vraagt Schilder zich af of Barth zich tegen de evolutie heeft gekeerd. Want heeft Barth niet verdedigd dat God vrij is tegenover alle creatuur, en is de kern van de evolutie niet dat ook in niet-God een beginsel van zelfstandigheid is? Dan zegt Schilder dat het zijn bezwaar is tegen Barth c.s. dat ze om zo te zeggen buiten stemming willen blijven als het gaat om de protologie. En dat kan niet, volgens Schilder. Als God souverein is moet Hij ook over de eerste dingen gaan. Dus, aan de ene kant ontkent de dialectische theologie de mogelijkheid dat God object zou worden van menselijke kennis, aan de andere kant zegt deze dat de leer van God de Schepper niets te maken heeft met een wereldbeschouwing. Dat heeft ze wel, zegt Schilder.
In onze jaren in Indonesie moesten we in de dogmatiek stelling nemen tegen dit Barthianisme dat binnenkwam via de boeken van Van Niftrik-Boland en Hadiwijono.

Afronding
Als het gaat over de laatste ontwikkelingen in onze kerken moet mij van het hart dat ik niet het grootste probleem heb met de toenadering tot NGK, en ook niet met het man/vrouw besluit. Ik ben wel in beide zaken van standpunt veranderd, maar ik vind dat de koers van onze kerken daarin nu beter is dan vroeger. De kijk op schepping en evolutie baart me veel meer zorgen. En ook op dat punt heb ik van Schilder, zij het in een notendop, toch basisgedachten meegekregen die kunnen helpen je standpunt in het nu te bepalen. Daarvan gaf ik boven iets weer.
Mijn zorg kwam voort uit de zinnen die Van den Brink in zijn christelijke dogmatiek aan schepping en evolutie wijdt. En het enthousiasme waarmee zijn boek in onze kring onthaald wordt. De zorg nam toe bij de presentatie van zijn boek "En de aarde bracht voort", en een latere PEP studiedag daarover. Toen was ook M.J. Paul aanwezig, die een tegen- referaat hield, maar het geheel maakte niet alleen op mij maar op veel aanwezigen de indruk van twee schepen die elkaar in de nacht voorbij varen. In de discussie raakte men elkaar niet. Paul doet nooit een poging om te proberen Bijbel en wetenschap met elkaar te verbinden. Schilder deed dat wel, bv in de al genoemde HC III.
Het woord voor scheppen, bara', staat bij de eerste dag, maar je kunt ook de volgende dagen katastrofes noemen. Maar niet als of er elke keer weer een nieuw begin is, en ook niet om tijd in te bouwen voor de miljoenen jaren die volgens de evolutietheorie nodig zouden zijn geweest. De katastrofe van de zondvloed is trouwens wezenlijk anders dan de schepping, zegt hij ook.
Interessant is ook wat Schilder zegt over de gevolgen van de zondeval voor de aarde: het zou best zo kunnen zijn dat dit alleen ziet op de cultuuraarde, namelijk het paradijs, de adama'. En dan zou er dus buiten het paradijs altijd al biologische dood geweest kunnen zijn en dorens en distels.
Kortom, genoeg om over na te denken, en om je niet voetstoots gewonnen te geven aan wat G. van den Brink leert. Biologische dood vanaf het begin, ja. Op dat punt kun je echt niet met creationisten als M.J. Paul meegaan. Maar het is niet nodig om heel de geologische tijdschaal te omarmen, zoals Van den Brink doet, en ook niet om de ontwikkeling van de soorten uit elkaar aan te nemen, laat staan de ontwikkeling van de mens uit de primaten, en de zondeval als een opstand van een bepaalde mensengroep op een bepaald moment in hun ontwikkeling.
Ik heb in de afgelopen vijftig jaar behoorlijke ontwikkelingen doorgemaakt. Ook ik verkeerde in de jaren 70 in de overtuiging dat de NGK de synodalen achterna zouden gaan. Nu zie ik dat die inschatting verkeerd is geweest, sterker nog dat ook bij synodalen en hervormden niet de vrijzinnigheid toegenomen is maar eerder een vorm van orthodoxie. Eigenlijk de orthodoxie de ze vroeger de midden- orthodoxie noemden: niet het gereformeerde geloof van de Drie Formulieren van Eenheid, maar ook niet de schriftkritische moderne theologie. Een orthodoxie geconcentreerd op de kernzaken van het christelijke geloof, zoals beleden in de 12 artikelen, en niet met uitgesproken meningen over schepping en over de twee naturen van Christus, laat staan over verkiezing en verwerping. Eigenlijk reken ik Van den Brink daar ook toe, al is hij lid van de Geref. Bond. Ik hoop en bid dat de GKV en NGK niet bij zo'n midden-orthodoxie zullen uitkomen.
Op het punt van de vrouw in het ambt ben ik ook veranderd. Een vrouwelijk diakenambt heb ik altijd voorgestaan, op basis van 1 Tim.3, maar een vrouw in het regeerambt niet. Ik herinner me uit de Apeldoornse tijd dat NGK- collega Hans Arnold meegewerkt had aan een studierapport voor hun Algemene vergadering, en daarover met zekere blijdschap en voldoening aan ons vertelde, en dat ik het niets vond. Het was eigenlijk een rapport dat concludeerde dat er in de bijbel verschillende lijnen zijn en dat je elkaar vrij moet laten. Nu zie ik dat dit zo ook voorkwam in het rapport aan de GS Ede en dat daar afgeschoten werd, maar vervolgens ook op de synode van Meppel, en daar aangenomen werd. En ik ben er ook blij om. Zonder deze ruimte te geven kom je als kerken haaks op de samenleving te staan.
Krijgt dan toch de context, de cultuur, een waarde boven de Schrift? Ik zou dat zo niet willen zeggen. Ze spreken zeker mee. Maar wat nog belangrijker is: niemand leest de Schrift op eigen kracht. Je doet het samen met je broeders en zusters. En als er een duidelijk draagvlak in de kerken is om de lijn van de gelijkwaardigheid van man en vrouw, die de Schrift leert, ook door te trekken in de ambten, dan is dat werk van de Geest in de breedte van de kerk. De tijd dat de andere lijn prevaleerde, namelijk de man als hoofd van de vrouw, en de volgorde bij de schepping, was een tijd met een andere cultuur, en daarom kon toen ook gemakkelijker voor die lijn gekozen worden.
De zusterkerken in Indonesië raken we door deze besluiten van onze laatste GS kwijt. De emigrantenkerken in Australië en Canada ook. Daar is de kerkelijke cultuur dan ook anders dan hier. In Indonesië is er in het algemeen ruimte voor de vrouw in het ambt. Zo ook bij SETIA in Jakarta, en ook in andere kerken en scholen waar ik kom. Onze kerken in de GGRI zijn eigenlijk binnen Indonesië een uitzondering als het gaat om de vrouw in het ambt. Dat is ongetwijfeld door Nederlandse invloed zo gekomen, ook van mij vroeger. Maar toen ik begon te merken dat onze kerken van de GGRI de legitimiteit van hun eigen positie tegenover de volkskerk verdedigden met de afwijzing van de vrouw in het ambt, begreep ik dat element versteend werd. Het verschil werd niet gevormd door een zuiverder wijze van omgaan met de Schrift, maar kwam uit op een bepaald sjibboleth. Zoals in de jaren zestig in de GKV de Open Brief zo'n sjibboleth was.
Verstard denken kunnen we alleen overwinnen door levende omgang met de Bijbel en de hulp van de Heilige Geest. Ik voel me nog niet te oud om te leren en hoop dat het voor jullie ook geldt. En hoe vreemd het misschien mag klinken na wat in voorafgaande beschreven is: ik meen dat ik die open houding in Kampen heb geleerd.